PortAgora is sinds een jaar de nieuwe naam voor wat onder Tilburgers voorheen beter bekend stond als het ‘Oost Europa Centrum’. Het bekendste is misschien de Kringloopwinkel aan de Goirkestraat 133, herkenbaar aan een wit bord met handgeschilderd het logo van PortAgora,  langs de weg en een wapperende, Europese vlag. PortAgora is een bundeling van verschillende projecten in Tilburg die te maken hebben met Oosteuropa. De goederen-inzameling voor Polen, ontstaan in 1981, is daar een van. Daar is later de stedenband Tilburg – Lublin bijgekomen en twee jaar geleden de stichting Tilburg – Tuzla, in het noordoosten van Bosnië en Herzegovina.

Jan van Esch

Van directeur Jan van Esch krijg ik een rondleiding. Op de begane grond staan gebruikte banken, stoelen en kasten te wachten op een nieuwe eigenaar, op de eerste verdieping liggen speelgoed, klein huisraad en kleding voor het uitzoeken. Achterin is een nieuw stuk bij de winkel getrokken, dat eerst dienst deed als magazijn en er zijn kleinere ruimtes voor het sorteren van kleding en kleine spullen.

Jan van Esch: “Volgens het principe van de drie P’s (Planet, People, Profit) wordt hier niets weggegooid. Kleding die kapot is wordt naar een opkoper gebracht, die het laat recyclen. Ook hout en metaal worden gesorteerd en worden gekocht door bedrijven die dat weer als grondstof kunnen gebruiken. De opbrengst daarvan dient om onze kosten te dekken, net als de opbrengst van de verkoop van tweedehands spullen in de Kringloopwinkel.”

Terwijl we rondlopen schieten verschillende medewerkers hem aan. De een vertelt over de inrichting van het nieuwe stuk van de winkel en een ander is net binnengereden met een busje vol spullen en heeft hulp nodig om de zware metalen schuifdeur weer dicht te duwen. De hal waar de grote goederen worden opgeslagen is nog maar pas in gebruik en deed voorheen dienst als bouwhal voor carnavalswagens. Er ligt een complete inboedel voor een kinderdagverblijf op transport te wachten, gekregen van Kinderstad dat haar inrichting moest vervangen.

Jan: “PortAgora heeft een soort makelaarsfunctie, we verbinden projecten en ondernemers in Midden- en Oosteuropa met ondernemers hier. We weten dat een ondernemer in Polen graag een kinderopvang wil beginnen, zodat mensen met kinderen aan het werk kunnen. Dan krijgen wij een verzoek om te helpen. Kinderstad heeft juist haar inboedel vervangen, maar wil de oude inrichting niet zomaar weggooien. Wij leggen hier de verbinding.” Er liggen genoeg goederen om een vrachtwagen mee te vullen. Jan: “We sparen het op, zodat we niet halfleeg hoeven te rijden. Het transport is onze grootste kostenpost, want een zending kost rond de €10.000,-. We zouden enorm geholpen zijn met een eigen vrachtwagen en chauffeurs die vrijwillig willen rijden, zodat we alleen de brandstofkosten nog hebben.”

In het nog lege gedeelte van de opslaghal is plaats voor Repair Cafe en Solar Cafe

Achterin de grote hal is nog een flink aantal vierkante meters leeg. Jan: “Daar komen het Repair Cafe en het Solar Cafe in. Repair Cafe gaat kapotte spullen repareren, zodat we nog minder hoeven weg te doen. Solar Cafe gaat met mensen zonnepanelen maken.”

Jan van Esch is de enige betaalde, parttime werknemer, alle ruim 50 mensen die voor PortAgora werken zijn vrijwilligers, allen met zeer diverse achtergronden en in ieder geval 20 verschillende nationaliteiten. Jan: “Het is eigenlijk een groot integratie-project en iedereen mag meedoen. Veel mensen hebben een ‘rugzakje’, hebben veel meegemaakt en vinden het moeilijk om een plek te vinden in de samenleving. Hier krijgen zij die kans wel en het is zo mooi om mensen weer te zien opbloeien, doordat ze gewaardeerd worden.”

PortAgora is een non-profit organisatie. Het geld dat binnenkomt, wordt gebruikt voor projecten om de economische zelfstandigheid van mensen te verbeteren, zowel in Tilburg als in Midden- en Oosteuropa. Jan: “We zijn geen La Poubelle, maar we doen hetzelfde op humanitaire grondslag, politiek en levensovertuiging spelen geen rol. Van de gemeente komt nog een beetje subsidie, bedoeld als ondersteuning voor fondsenwerving in Brussel.”

De Kringloopwinkel van PortAgora is van maandag tot en met zaterdag open van 10.00 uur tot 16.00 uur.

Op het culturele vlak zijn er nieuwe ontwikkelingen. Om meer naar buiten te treden in de stad, gaat PortAgora samenwerken met het Huis van de Wereld en Mundial. Via het Huis van de Wereld zal PortAgora aanwezig zijn in de Bazouq, de wereldmarkt in de Koepelhal die op 10 juni voor het eerst georganiseerd gaat worden. PortAgora zal ook een bijdrage gaan leveren aan de Kashba, een evenement in Paradox dat maandelijks door het Huis van de Wereld wordt georganiseerd. Samen met het Wereldpodium heeft PortAgora al eerder debatavonden georganiseerd over arbeidsmigranten uit Oosteuropa.

Lees verder: http://tilburgers.nl/portagora-deur-naar-ontmoeting-en-markt/

 

Na een succesvolle eerste editie van het Repair Café Tilburg in januari, zal de tweede aflevering worden gehouden op zaterdag 25 februari, wederom in het Huis van de Wereld. Vanaf 13:00 tot 17:00 is iedereen weer welkom met zijn kapotte spullen om samen met deskundige vrijwilligers te kijken hoe zoveel mogelijk dingen van de afvalberg gered kunnen worden. In januari wisten maar liefst 75 bezoekers het eerste Repair Café te vinden en werden tientallen voorwerpen gerepareerd.

Ook voor de komende editie is weer voldoende kennis, ervaring en materiaal aanwezig om weer samen aan de slag te gaan. Stichting Gered Gereedschap uit Loon op Zand heeft er voor gezorgd dat het beschikbare gereedschap is uitgebreid, zodat nog meer mensen geholpen kunnen worden.

Wie niets heeft om te repareren, is van harte welkom om mee te helpen bij een reparatie van iemand anders. Ook is er gratis een kopje koffie of thee en gelegenheid voor een gezellig praatje met een stadsgenoot. Inspiratie op doen aan de leestafel kan ook; er zijn boeken over repareren en klussen ter inzage. Repair Café gaat niet alleen om het repareren van spullen, maar ook mensen uit de stad samen te brengen en te verbinden.

Vrijwilligers zijn altijd welkom! Handige mensen die goed zijn met tassen, schoenen, leer en dergelijke zijn van harte welkom. Sieraden repareren? Graag! Elektriciens en technici heeft het Repair Café nooit teveel. Ook voor het inrichten van de zaal, koffie zetten, bezoekers ontvangen en wegwijs maken en opruimen zijn helpende handen welkom. Meer informatie is verkrijgbaar bij Roland Samuels, e-mail: repaircafetilburg [apestaartje] ziggo [punt] nl, of via Facebook: Repair Café Tilburg of via Twitter: @RepairCafe013.

Opstelling van de Mensenzoo

Nederland bestaat uit veel verschillende soorten groepen mensen. Men voelt toenemende spanning tussen deze verschillende soorten mensen. Een heel duidelijk voorbeeld hiervan is de spanning die naar voren komt in de discussie over integratie, vooral als het gaat om moslims. Toch zijn deze spanningen meestal niet gebaseerd op persoonlijke ervaringen, in het dagelijkse leven is er juist weinig contact tussen bepaalde groepen.

Door dit beperkte contact ontstaat er weinig wederzijds begrip en kunnen er vooroordelen ontstaan. Vooroordelen  zijn niet op feiten gebaseerd, maar vaak op een stereotype beeld, zoals moslims zijn terroristen, psychiatrische patiënten zijn onvoorspelbaar en onbekwaam, jongeren zijn lui en niet betrokken bij de maatschappij, etc.

Het is moeilijk boven je vooroordelen te staan. Vooroordelen zijn hardnekkig en als een bepaalde groep eenmaal een etiketje heeft, dan is het moeilijk dit te veranderen. Eigenlijk denken we allemaal in hokjes.

Een juiste manier om hier tegen in te gaan is kennis en dialoog. Samenleven moet je leren.  Als je mensen of een groep mensen beter leert kennen dan merk je vaak dat het beeld wat je had anders is dan de werkelijkheid. Om samenleven te leren, bestaan er diverse mogelijkheden om beeldvorming te veranderen. Het hebben of maken van contact (de ontmoeting en het verhaal) is een middel wat ingezet kan worden.

We willen in samenwerking met andere  maatschappelijke organisaties mensen in contact brengen. En dat op een bijzondere wijze, namelijk door hen een bezoek te laten brengen aan de MensenZoo

MensenZoo is een soort dierentuin van mensen. Dierentuinen bestaan al heel lang en bijna iedereen is er wel eens geweest. Het grote verschil tussen MensenZoo en een dierentuin is dat het bij MensenZoo om mensen gaat, waarbij mensen letterlijk en figuurlijk in een hokje zitten. De mensen in de hokjes spelen geen rol, maar zijn geheel zichzelf. Door contact tussen de mensen in het hokje met het publiek zullen de hokjes vanzelf hun betekenis verliezen en zullen mensen met mensen praten en ontstaat ruimte vooroordelen te veranderen.

Het doel van ‘Mensenzoo  is om als  spiegel van de samenleving te dienen door deze te tonen als een dierentuin vol mensensoorten, verdeeld in hokjes. Denk aan soorten als (hang) jongeren, studenten, moslims en politici . Met deze prikkelende opstelling willen we de bewustwording van de hokjesgeest vergroten, het contact tussen verschillende mensen/groepen stimuleren en mensen zo laten nadenken over vooroordelen.

Het effect wat we willen bereiken  is dat de bezoekers de tentoonstelling uitkomen met een positief gevoel. Ze zijn op een ludieke manier geraakt door deze spiegel van de samenleving. Ze zijn zich bewust van het denken in hokjes, zien dat de stereotype beelden niet altijd kloppen en hebben de dialoog met een ander ‘mensensoort’ als verrijkend ervaren. Het opent als het ware de ogen, en daardoor is de kans gestegen om in ‘dialoog’ met elkaar te geraken.

PICNIC ’09: Alternative Currency in Practice with Christian Nold & Oliver Dudok van Heel from PICNICCrossmediaweek on Vimeo.

Using case studies, two experts explore the feasibility of implementing alternative local currencies in this session at PICNIC ’09.

Artist and cultural activist Christian Nold presents the Bijlmer Bank Project and examines how trust networks function in a prototype system for an alternative local currency that could support local development and work in conjunction with the Euro.

Activist Oliver Dudok van Heel discusses The Lewes Pound Project and how the introduction of a local currency impacted the socio-economic situation in the town of Lewes.

PICNIC ’09 – Amsterdam
September 23-25, 2009

Worldwatch 2010Zonder een cultuurverschuiving waarin duurzaamheid boven consumeergedrag wordt verkozen, zal geen enkele toezegging van de overheid of  technologische vooruitgang genoeg zijn om de mensheid te redden van een onacceptabel groot milieu- en klimaatrisico, aldus het Worldwatch Institute in het jaarlijkse rapport, State of the World 2010.

Het rapport benoemt ‘consumentisme’ als een culturele oriëntatie die mensen leidt naar het vinden van tevredenheid, betekenis en acceptatie via consumptie.

Projectleider Erik Assadourian is kritisch: ‘’Het veranderen en  vernieuwen van beleid en technologie terwijl de cultuur rond consumentisme en groei blijft draaien, kan niet meer. Om het welzijn te behouden zal de maatschappij een cultuurverandering moeten ondergaan waarin duurzaamheid de norm wordt en overmatig consumptiegedrag taboe.’’

In 2006 consumeerde de wereldbevolking $30.5 triljoen aan goederen en diensten, 28 procent meer dan tien jaar terug. Deze stijging in consumptie gaat gepaard met een dramatische stijging in grondstofverbruik. De gemiddelde Amerikaan consumeert 88 kilo per dag. Als de hele wereld op deze voet zou leven zou de aarde slechts 1,4 miljard mensen kunnen onderhouden

‘’Cultuurpatronen zijn de oorzaak van de ecologische en sociale problemen van het moment; klimaatverandering, vetzucht, een afnemende biodiversiteit, minder landbouwgrond en de productie van schadelijk afval.’’ Aldus Assadourian.

Het rapport geeft strategieën aan voor heroriëntatie zoals het aanreiken van keuzeopties in het consumentengedrag en het benutten van de invloed van religieuze groepen om duurzaamheidswaarden te verankeren.

’Terwijl de wereld probeert te herstellen van de grootste economische crisis sinds de Grote Depressie, hebben we een levensgrote kans om ons af te wenden van consumentisme,’ zegt Worldwatch President Christopher Flavin. ’Uiteindelijk moet het menselijk overlevingsinstinct prevaleren boven consumptiedrang

Sinds 2010 is er officieel een klimaatbureau, een aanspreekpunt waar alle duurzame, groene en natuurlijke initiatieven besproken kunnen worden.

Het Klimaatbureau is (voorsalsnog) een gemeentelijke instelling en helpt door de bomen het bos te zien op het gebied van klimaatsverandering en duurzaamheid en werkt met burgers en bedrijven aan een oplossing.  Het Klimaatbureau biedt ondersteuning aan de acht allianties (samenwerkingsverbanden) die klimaatprojecten uitvoeren.

Arty Shocking ondersteunt dit initiatief van harte, en ziet deze extra mogelijkheid tot informatieuitwisseling en samenwerking als een bijzonder goed  idee en een belangrijke stap in de verwezelijking van klimaatdoelstellingen en op weg naar een natuurlijk en duurzaam Tilburg.

fairgreenposter

Derde Conferentie van Tilburg

“Een Fair & Green Deal – Wie biedt?”

De derde editie van de Conferentie van Tilburg zal op donderdag 21 januari 2010 plaatsvinden.

Op de volgende pagina’s (onder nog enig voorbehoud) het programma en informatie over hoe u zich tot uiterlijk zaterdag 16 januari kunt aanmelden voor deelname.

De verschillende wereldwijde crises die we momenteel beleven, hangen nauw samen met de manier waarop onze economie is ingericht. De economische crisis biedt ons de kans om de broodnodige koerswijziging richting een andere economie in gang te zetten. Er zijn vele aantrekkelijke ideeën om die koerswijziging vorm te geven. Het komt er nu op aan die ideeën uit te voeren.
De Alliantie Fair & Green Deal, waarin vele maatschappelijke organisaties samenwerken, doet een weloverwogen voorzet.

Download hier het Manifest en de Voorstellen en lever uw bijdrage/commentaar op de website www.alliantiefairgreendeal.org


Het weten van de wereld (Lezing van Wim van de Donk, Commisaris van de Koningin op persoonlijke titel)

Geloven in duurzame ontwikkeling.

Peerke Donderslezing, Tilburg, Allerheiligen 2009

Dames en heren,

vermessung der weltEen paar jaar geleden verscheen van de Duitse auteur Daniel Kehlmann een bijzonder boek. Het droeg als titel ‘Die Vermessung der Welt. In de Nederlandse vertaling werd dat: ‘Het meten van de wereld’. Het boek behandelt de lotgevallen van twee beroemde Duitse wetenschappers die zich aan het begin van de negentiende eeuw hebben beijverd om onze wereld in kaart te brengen. De ene, de wiskundige Carl Friedrich Gauß, deed dat vooral in eigen land –Duitsland– en bracht onder meer de geodesie tot ontwikkeling.

De ander, Alexander von Humboldt, legde de grondslag voor de moderne geografie en maakte een van de belangrijkste ontdekkingsreizen ooit naar wat toen nog werd aangeduid als ‘de nieuwe wereld’.

Die nieuwe wereld was ook toen vooral een andere wereld, die letterlijk nog moest worden ontdekt. Ik zeg ‘ook toen’, want daarin lijkt na al die jaren per saldo niet echt veel veranderd; zij het dat we nu zouden spreken van een andere wereld, die nog moet worden ontwikkeld.

En dat moeten wij dan doen, dat is althans de dominante idee. Natuurlijk zie ik ook wel dat er een zekere verandering blijkt in het spreken over ontwikkelingshulp. Dat werd eigenlijk steeds meer ontwikkelingsamenwerking. Maar dat is uiteindelijk toch vooral een semantische verschuiving gebleken: de feitelijkheid van de ontwikkelingssamenwerking is er toch vooral een van een afhankelijke relatie van hulp en steun, die bovendien steeds meer op onze strenge voorwaarden gegeven wordt.

Een dergelijke manier van spreken hanteert een in mijn ogen onhoudbaar wij-zij perspectief op de ontwikkeling van de wereld dat wij snel moeten verruilen voor een meer productief, duurzaam en eigentijds perspectief op ontwikkeling, maar daarover straks meer.

Het boek van Kehlmann laat zien hoe nieuwsgierigheid naar de nieuwe wereld beide geleerden tot grote prestaties dreef. Met name Von Humboldt ondernam avontuurlijke boottochten die bepaald niet zonder gevaar waren. Hij deed belangrijke ontdekkingen in het Amazonegebied, dat hij nauwgezet in kaart bracht. Beide wetenschappers hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan wat we wel noemen de verwetenschappelijking of ‘modernisering’ van ons wereldbeeld. Het weten van de wereld was rechtstreeks afgeleid van het meten van de wereld. De vondsten van Von Humboldt worden tot op de dag van vandaag als waren het relikwieën bewaard in het naar hem genoemde museum voor natuurwetenschappen in Berlijn. Die modernisering heeft de wereld niet alleen steeds verder in kaart gebracht, maar ook onze kijk op en ook onze verhouding met de wereld ingrijpend veranderd. De socioloog Weber sprak in dit verband veelzeggend van de daarmee gepaard gaande ‘onttovering’ van de wereld. De wereld werd onderdeel van ‘ons rationele systeem’, dat we met behulp van de sterk groeiende wetenschappelijke kennis en economisch handelen tot ontwikkeling hebben gebracht.

Tweehonderd jaar later weten we dat die ontwikkeling misschien helemaal niet zo rationeel, en in ieder geval allesbehalve evenwichtig was, en dat in vele opzichten. Ik noem drie onevenwichtigheden.

Allereerst was er sprake van een schaamteloze en eeuwenlange exploitatie van kolonies en wingewesten, gepaard gaande met een onthutsende praktijk van slavenhandel en uitbuiting die nog tot op de dag van vandaag in vele delen van onze wereld zijn sporen nalaat. Sporen, die nog maar zeer ten dele zijn uitgewist door de miljarden die de afgelopen decennia als ontwikkelingssamenwerking zijn uitgegeven. Miljarden die overigens vanuit het totaalbeeld van de bedragen die er omgaan in de internationale economische betrekkingen als betrekkelijke peanuts moeten worden gezien.

Dani Rodrik

Dani Rodrik

Onevenwichtig was die ontwikkeling ook omdat die modernisering onze aarde tot aan de rand van de afgrond heeft gebracht en bijna fataal lijkt uit te putten. Zowel in ecologische als sociale zin wordt die aarde, die we intussen gelukkig steeds meer als één wereld zijn gaan zien, in zijn voortbestaan rechtstreeks bedreigd. Weer leven we dus in een tijd waarin we onze kijk op en onze verhouding met de wereld ingrijpend zullen moeten veranderen, willen we als mensensoort kunnen overleven. Niets minder staat er op het spel. Ik mocht het laatst zeggen bij mijn installatie in Brabant: we moeten ons realiseren dat we besturen op een breukvlak. De huidige crisis is in mijn ogen niet in de eerste plaats een financiële en economische crisis, maar veeleer een morele en culturele crisis die ons uitdaagt tot een fundamentele reflectie en tot ingrijpende vormen van gedragsverandering. Als we niet opschieten is straks zelfs het antwoord op de klassieke vraag ‘waartoe zijn wij op aarde?’ niet meer relevant.

Onevenwichtig was die ontwikkeling ten derde ook, omdat de mens, zij het vooral die van het Westerse soort, zijn vermogen om zich als deel van een (groter) geheel te denken, ik definieer dat maar even als zijn religieuze bewustzijn, in belangrijke mate heeft veronachtzaamd. De rationaliteit heeft de spiritualiteit verdrongen. Het moderne wereldbeeld dat is voortgekomen uit het ‘meten van de wereld’ lijdt aan een intrinsiek beperkt soort van ‘weten van de wereld’. In het perspectief van modernisering en rationalisering is een fatale versmalling van het mensbeeld geslopen. Die versmalling –de individuele mens is zelf het middelpunt, de maat der dingen en een homo economicus– is de belangrijkste reden voor het feit dat de ontwikkeling van de (internationale) samenleving zoals die de afgelopen decennia gestalte kreeg niet duurzaam en houdbaar is.

In de ordening van de wereld heeft de meetkunde plaats gemaakt voor de macro-economie, die overigens steeds meer volgens micro-economische beginselen werd bedreven. Zoals in 1791 in Parijs de meter officieel als lengtemaat werd vastgesteld, later gevolgd door de instelling van een Internationaal Bureau voor Maten en Gewichten, zo kennen we sinds 1989 de zogenaamde Washington Consensus. Die behelst een generiek en streng recept voor ontwikkeling, sterk neo-liberaal gekleurd, die door instituties als het IMF en de Wereldbank al even streng als consequent werden toegepast bij het geven van steun. We weten intussen dat bij de veronderstellingen van die consensus (privatiseer, liberaliseer, open uw markten) de nodige vraagtekens te zetten zijn. Alleen al een nauwgezette studie van de ontwikkeling in Aziatische landen of die van onze eigen Europese samenlevingen leert dat het tot ontwikkeling brengen van landen en samenlevingen soms heel wat anders vraagt dan open markten.

Er lijkt meer behoefte aan specifieke dan aan generieke recepten, hoezeer de meters van de wereld dat ook zouden willen. De culturele component en de rol van een sterke publieke sector werden door de Chicago-economen systematisch onderschat, iets dat gelukkig –eindelijk– is doorgedrongen tot het comité dat de Nobelprijzen voor economie toekent. Welkom terug in de sociale wetenschappen! Dani Rodrik spreekt intussen treffend van de Washington Confusion…. Het wordt tijd de bakens te verzetten.

Voordat ik wat nader inga op het belang van een meer eigentijds en duurzaam perspectief op ontwikkeling, sta ik –dat mag natuurlijk wel in een lezing die de naam van Peerke Donders draagt– eerst nog wat stil bij de vermeende problematische verhouding tussen modernisering en religie. Een dergelijk duurzaam perspectief op ontwikkeling vraagt naar mijn inzicht immers om een herwaardering van het religieuze en spirituele in onze Westerse samenleving. Als een perspectief op mondiale ontwikkeling niet is geënt in een wezenlijk religieuze grondslag zoals ik die zojuist definieerde, is het naar mijn mening gedoemd te mislukken.

Zowel Gauß als Von Humboldt, die gretige grondleggers van de modernisering, dames en heren, waren tijdgenoten van de man die tweehonderd jaar geleden hier in Tilburg werd geboren en wiens geboortedag we deze week herdenken: de zalige Petrus Donders, onze Peerke Donders. Ook hij vertrok naar de nieuwe wereld, maar zou, anders dan Von Humboldt, nooit meer naar Europa terugkeren. Alhoewel ook Peerke Donders leergierig was, was het niet de nieuwsgierigheid, laat staan een wetenschappelijke roeping die hem naar Suriname deed vertrekken. Bij hem waren het de naastenliefde, de barmhartigheid en de zekerheid door God geroepen te zijn die hem daar brachten (en hielden!). Op 1 augustus 1842 vertrok hij vanuit Den Helder aan boord van het zeilschip Jacoba Maurina. Op 16 september zette hij voet aan land in Paramaribo, de hoofdstad van Suriname. Drie weken later al voer hij samen met monseigneur de Grooff via zee en de Coppename-rivier naar het melaatsen-établissement in Batavia. Hij zou er na een eerste periode in Paramaribo drie decennia lang en onvermoeibaar voor de uitzichtloze melaatsen zijn en zorgen en er uiteindelijk op 14 januari 1887 zelf op hoge leeftijd sterven.

Zijn vertrek naar Suriname en zijn indrukwekkende zorg voor de melaatsen in Batavia vloeiden rechtstreeks voort uit een roeping die meer dan je zou verwachten in belangrijke mate een persoonlijke keuze en overtuiging was.

Zoals blijkt uit de bij gelegenheid van zijn zaligverklaring verschenen biografie van Dankelman, groeide Petrus Donders op in een Nederland dat zelf de eerste schreden zette op een pad van modernisering. Het was ook een Nederland dat in belangrijke mate zelf nog tot ontwikkeling moest worden gebracht. Dat gold evenzeer voor de ontwikkeling van de religieuze verhoudingen en praktijken. Het was het Nederland van ver vóór de latere verzuiling, waarin Petrus Donders, geboren als zoon van een arme thuiswever, bepaald niet opgroeide in wat Dankelman mooi omschrijft als een ‘uitbundige gloed van vroomheid’. De rooms-katholieke kerk van zijn jeugd was nog maar net het stadium van de schuil- en zolderkerken ontstegen en stond aan de vooravond van de ontwikkeling van wat we later kennen als het al even massale als massieve religieuze leven van de verzuiling. De opkomst van massakerken leek in veel opzichten op de praktijk van de industrialisering, die al evenzeer leidde tot grote en hiërarchische organisaties. Toen Peerke Donders op 5 juni 1841 tot priester werd gewijd in de huiskapel van het bisschoppelijk paleis van mgr. Van Wijkerslooth, was die laatste nog geen tien jaar de eerste bisschop die na 200 jaar in Nederland mocht worden benoemd. Peerke Donders was dus bepaald geen zoon van het Rijke en georganiseerde Roomse leven, maar een arme kruikenzeiker die een heel persoonlijke keuze maakte.

Wie van zijn leven kennis neemt ontdekt al snel hoe wezenlijk het persoonlijke in zijn religieuze engagement was. Peerke Donders was een eigenwijze donder, zou je kunnen zeggen, die systematisch en tegen de keer in volhardde in zijn persoonlijk ideaal. Dat was allemaal verre van vanzelfsprekend. Zijn levensloop zelf is eigenlijk al een groot wonder.

Toen ik vorige week na afloop van de feestelijke Eucharistieviering in de prachtige Sint Dionysiuskerk in de Goirkestraat een kop koffie dronk met Paul Spapens, zei die me dat het eigenlijk al net zo’n wonder is dat Peerke Donders de ontzuiling en de ontkerkelijking van de afgelopen decennia heeft overleefd. Ik kan me die verwondering wel enigszins voorstellen.

Maar vooral denk ik dat de vele aandacht die er in Tilburg voor hem is vooral weer iets zegt over onze tijd. Spapens zelf liet in boekje uit 1983 over Peerke Donders zien hoe de aandacht aan het begin van de twintigste eeuw voor een deel kan worden verklaard uit de toen nog stormachtige opkomst van de Rooms-Katholieke kerk. Die had iconen nodig, en Peerke Donders was daarvoor zonder twijfel een heel geschikte persoon. Hij was in zekere zin de verpersoonlijking niet alleen van een christelijk ideaal, maar ook van de emancipatie van de katholieken in Nederland.

In vergelijkbare zin zegt ook de brede en ook buitenkerkelijke herwaardering van zijn persoon in onze dagen iets over de maatschappelijke ontwikkelingen aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Ik zie die aandacht als een al even broodnodige als kritische contrapunt bij de tijdgeest. Ook nu hebben we weer van die iconen nodig. En Peerke Donders kan dat ook in onze tijd weer zijn. In een mooie beschouwing mede naar aanleiding van de dezer dagen in museum De Pont getoonde werken van Bill Viola spreekt Arent Weevers van de ‘kritische component van het heilige’.
En alhoewel Peerke officieel nog slechts zalig is, is hij een wezenlijke icoon en zet hij ons aan het denken, of aan het oefenen, zou Peter Sloterdijk zeggen. We hebben iemand als Peerke Donders hard nodig.

We leven immers in een tijd waarin de neiging groeit om ons af te sluiten van de wereld om ons heen en weer meer dan ooit de nadruk te leggen op ons individuele en nationale belang. We zien dat bijvoorbeeld in het debat over ontwikkelingssamenwerking. In een tijd dat we het hier zelf moeilijk krijgen horen we alweer snel de geluiden dat we daarmee maar beter moeten stoppen. Het haalt immers toch niets uit en we kunnen de miljarden die we daaraan besteden beter in Nederland besteden. U kent die geluiden wel. Ik zal er zo nog wat meer over zeggen.

Maar duidelijk is al wel dat ze sterk contrasteren met de tekst van een van de liederen over Peerke Donders die vorige week in ‘t Goirke door een volle kerk werd meegezongen. Ik citeer: ‘alles wat we kunnen doen we voor onszelf het eerst/Heel ons leven wordt door egoïsme overheerst/Blijf ons inspireren want dan weten wij het weer/in ieder mens schuilt iets van God en in jou een flink stuk meer.’

Barm- en warmhartige zorg voor anderen, het belang van naastenliefde en het belang van onbaatzuchtigheid en opoffering: het zijn woorden die we wel kennen, maar die we blijkbaar aan de vergetelheid moeten ontrukken. Het lied is duidelijk over wat ons te doen staat, en ook het leven van Peerke Donders laat daarover weinig misverstanden bestaan. Zijn beeld is een voorbeeld. We weten eigenlijk wel beter, maar zijn het spreken daarover verleerd. God is uit onze samenleving en uit de mensen weggedacht, en iemand die voor het verliezen van humane waarden systematisch waarschuwde was Peerke Donders. De groeiende aandacht die er voor zijn persoon is zie ik als een teken dat het als religieus te duiden besef dat we als mensen deel zijn van een wereld die groter is dan wijzelf weer meer in het maatschappelijke debat en de tijdgeest terugkeert. Peerke Donders laat ons zien wat de bedoeling van mensen is, en roept op tot engagement.

Ook de vorm waarin ik die groeiende aandacht zie draagt de sporen van onze tijd. Die staat meer in de sleutel van nemen persoonlijke verantwoordelijkheid dan in termen van vanzelfsprekende gehoorzaamheid en het opereren in de context van grote organisaties. Personen en persoonlijke contacten zijn er weer veel belangrijker aan het worden dan organisaties, instituties en systemen. In die zin is de hernieuwde aandacht voor iconen en heiligen, die hier net als in het buitenland door vele gewone mensen worden geëerd, gekozen en gedragen, helemaal niet zo verwonderlijk.

Nee, verrassend is dat alles niet: de manier waarop het religieuze zich in de samenleving manifesteert is in alle opzichten een spiegel van onze samenleving. Ons publieke domein is sterk veranderd, vooral omdat de mensen en hun onderlinge verhoudingen in onze samenleving zo veranderd zijn. Niet alleen door schaalvergroting en processen van internationalisering en commercialisering, maar ook als gevolg van een steeds verdere differentiatie, pluralisering en dus individualisering van leefsferen en leefstijlen.

Iemands identiteit, ook de religieuze, wordt steeds minder vaak vanuit één coherente traditie gevormd, laat staan door één organisatie gecontroleerd. Onze samenleving is al even multireligieus als multicultureel geworden: en dan hoeven we nog niet eens naar de opkomst van de Islam te wijzen. Het nog overzichtelijk gesegmenteerde en stabiele pluralisme van de verzuiling heeft plaatsgemaakt voor een samenleving die steeds meer op een mozaïek lijkt. De dynamiek is soms duizelingwekkend: hedendaagse sociologen als Sloterdijk en Bauman spreken van schuim en van een vloeibare samenleving. Ook binnen de christelijke traditie domineren steeds meer de verschillen en gaan kerkgenootschappen met elkaar in competitie. Ook het religieuze landschap verandert in een markt.

Het voert te ver hier de volledige diagnoses te geven, als ik daartoe al in staat zou zijn. Maar in het bestek van mijn betoog wil ik er één auteur even uitlichten: de Canadese filosoof Charles Taylor. Taylor analyseert al die ontwikkelingen en verschillen met een interessante discussie over het begrip dat nauw verwant is met het begrip van modernisering. Ik duid op het begrip secularisering. Taylor onderscheidt drie betekenissen.

Dat begrip verwijst volgens hem in de eerste plaats naar het fenomeen van de privatisering van religie: religie werd, al dan niet door wetgeving aangemoedigd, uit het publieke domein verbannen. In het spoor van de scheiding van kerk en staat wordt een strikte scheiding tussen religie en publiek domein bepleit. De betekenis verwijst zowel naar een normatief standpunt als naar een empirisch waarneembaar verschijnsel.

In de tweede plaats verwijst het begrip naar het fenomeen van ontkerkelijking, en naar de zogenaamde seculariseringthese die in kringen van sociologen lange tijd als onomstreden gold. Modernisering leidt tot een verminderde rol van religie, wellicht zelfs tot het geheel verdwijnen daarvan. Ook hier lopen wensdenken en empirische waarnemingen soms door elkaar, en recentelijk wordt indringend gewezen op het feit dat die these toch minder overtuigend is dan hij eerder leek. Zelfs een socioloog als Jürgen Habermas, zo konden we vrijdag nog lezen in NRC-Handelsblad, onderkent de voor de modale modernistische socioloog toch verrassende persistentie van religieuze praktijken en posities in het publieke domein.

In zijn recente boek voegt Taylor aan deze twee opvattingen van secularisering nog een derde toe. Hij suggereert dat het begrip tegenwoordig vooral verwijst naar het feit dat geloven steeds meer een persoonlijke optie, en geen automatisme meer is. In latere lezingen beklemtoont hij ook dat het moet worden begrepen als de aanduiding van een toenemend pluralisme, op de conditie van toenemende verschillen, waarbinnen die optie wel of niet en op geheel verschillende manieren kan worden ingevuld. Eerder duidde ik dat ooit aan als de transformatie van religie: het fenomeen verandert van gedaante, wordt minder institutioneel en traditioneel, en meer individueel en dynamisch van karakter. Identiteiten, ook religieuze, zijn in die opvatting steeds minder eenduidig en stabiel, er is sprake van ‘liquid religion’.

In dat licht bezien moeten we wellicht toch nog eens terug naar de eerdere constatering, dat secularisering zijn diepe sporen in de Nederlandse samenleving heeft nagelaten. Wat dat betekent hangt dus ook af van het perspectief van secularisering dat je hanteert. Het is net zoals bij het meten van politieke betrokkenheid van burgers. Als je dat meet in termen van aantallen mensen die actief lid zijn van een politieke partij, dan staat het er met die betrokkenheid niet best voor. Als je andere indicatoren neemt, komen andere vormen van betrokkenheid in beeld.

Voor religie geldt iets vergelijkbaars. Als je dat meet op een manier die ook andere, niet institutionele vormen van religieuze identiteit en betrokkenheid in beeld brengt, ontstaat er een aanmerkelijk ander beeld dan op grond van het meten van kerkbezoek. Er is, inderdaad, sprake van een andere houding ten aanzien van klassieke religies: Grace Davies spreekt van ‘vicarious religion’ en van ‘believing without belonging’. Dat eerste verwijst naar een houding die zegt: goed dat het er is maar ik doe er niet zelf aan mee. Het tweede wijst op het fenomeen dat veel geloof en spiritualiteit zich buiten de gangbare en traditionele kerkelijke en organisatorische kaders ontwikkelt. Anderen beklemtonen de individualisering en ont-traditionalisering van religie: van ietsisme tot orthodoxie, men zoekt de zin steeds meer op eigen houtje, vaak geholpen door nieuwe media. In die zin sprak de WRR van een opmerkelijke terugkeer van religie, maar wel in de context van die transformatie. Genoeg daarover voor dit moment in mijn verhaal, alhoewel het verleidelijk zou zijn om nog wat in te gaan over het in mijn ogen toch wezenlijke onderscheid tussen het zoeken, geven en ontvangen van zin. Maar daarover een andere keer.

Ik keer zoals beloofd nog terug naar het thema van de ontwikkelingssamenwerking. Ook in het domein van de ontwikkelingssamenwerking herkennen we de grondpatronen van genoemde transformaties. Steeds minder lijken mensen geneigd een benadering te steunen, waarbij de zorg voor ontwikkelingssamenwerking als het ware wordt uitbesteed aan grote organisaties. En uit het begin volgend jaar te verschijnen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zal blijken dat er terecht veel kritische vragen te stellen zijn bij de huidige theorie en praktijk van het beleid. Ontwikkelingssamenwerking is geen meetkunde, en de complexe paden die landen op weg naar economische ontwikkeling volgen vragen meer om maatwerk dan om generieke theorieën en standaards voor ontwikkeling. Zeker standaards die op eenzijdig economistische veronderstellingen en verschraalde mensbeelden zijn gebaseerd zullen moeten sneuvelen.

Maar laat ik niet met een negatieve toonzetting eindigen. De contouren van een meer werkzaam en duurzaam perspectief op ontwikkeling vragen vooral om de erkenning van de omstandigheid dat ontwikkeling intussen over ons allemaal gaat, en dat die, zeker als het om het Westen gaat, niet moet worden versmald tot louter economische ontwikkeling. Het gaat niet meer om een andere wereld, maar over onze wereld.

De huidige economische crisis is slechts een kleine ouverture van wat zich nog gaat aandienen in de sfeer van voedsel, energie, water en klimaat. De verhoudingen in de wereld zullen zich nog verder verscherpen maar hopelijk groeit nóg sneller het inzicht dat in al die grote dossiers intussen gaat over de ontwikkeling, nee het overleven, van die wereld als geheel. Het gaat intussen niet alleen meer om ontwikkelinghulp of om ontwikkelingssamenwerking, maar om een strategie voor mondiale ontwikkeling. Voor een Wij-Zij perspectief op ontwikkeling is, als het al ooit aan de orde was, op geen enkele wijze plaats meer. Daarvoor moet dus wat anders in de plaats komen. Dat lukt alleen maar als de onevenwichtigheden waarover ik eerder sprak effectief worden aangepakt. Rechtvaardigheid, liefde, barmhartigheid, een scherp oog voor het algemeen welzijn: het zijn begrippen die geworteld zijn in een lange traditie en die heel concreet zijn voorgeleefd door mensen als Petrus Donders. Zoals de bisschop van ’s-Hertogenbosch vorige week in de genoemde dienst zei: hij opent ons de ogen, als een gewone Tilburger, hij was een kruikenzeiker en een heilige tegelijkertijd.

Er rust dus een belangrijke taak op ons allemaal: mondiale ontwikkeling zal vragen om vormen van gedragsverandering die ons allemaal indringend zullen raken. De recente encycliek ‘Caritas in Veritate’ laat overtuigend zien dat daarvoor een nieuw instrumenteel en institutioneel perspectief nodig is: er wordt expliciet gepleit voor stevige instituties op mondiaal niveau, en ook de natiestaat, door vele globalisten al afgeschreven, wordt in deze encycliek voor Vaticaanse begrippen op een ongebruikelijk stevige manier gesteund. Maar wat de encycliek vooral laat zien is de uitnodiging aan ons allen om de waarheid over de mensen en het weten over onze wereld eerlijk onder ogen te zien en ernaar te handelen. Want uiteindelijk zijn het niet instituties, maar vormen van individueel engagement die het verschil duurzaam doen beklijven. Natuurlijk kunnen ook in onze tijd mensen daarbij steun vinden in organisaties en instituties, mensen blijven mensen en hebben steun en verbinding met anderen nodig. Zonder gemeenschapswerking gaat het niet. Maar Peerke Donders heeft ons laten zien dat het uiteindelijk toch vooral neerkomt op persoonlijk engagement en persoonlijke verantwoordelijkheid. Ik zei het al: hij was zijn tijd ver vooruit.

Ik dank U voor uw aandacht.

W. van de Donk

(bron: Wereldpodium, Peerke Donderslezing)

Godelieve Engbersen

Godelieve Engbersen

Irma Lamers

Irma Lamers

Arty Shocking praat met Irma Lamers en Godelieve Engbersen van Transition Towns Tilburg bij het opzetten van de lokale werkgroep in Tilburg en het aandragen van activiteiten die kunnen leiden tot verwezelijking van de doelstellingen die Transition Towns heeft.

Het is vooral de volgende zinssnede die de volledige steun verdient:

In de eerste fase, waarin we nu (september 2009) zitten, werkt ieder TT-initiatief met behulp van de 12 Stappen toe naar het opstellen van een lokaal Minder Energie Plan. Dat is geen droog ambtelijk beleidsstuk, maar een aanlokkelijke beschrijving van een samenleving zoals iedereen daar wel eens van droomt. Een wereld waarin mensen uit straten, buurten en wijken elkaar weer kennen. Waarin je weer weet waar je eten vandaan komt (uit je eigen buurtmoestuin, de buurtwinkel en de boer 3 kilometer verderop).

Een samenleving waarin aan het woord gemeenschapszin geen benauwende spruitjeslucht hangt, maar waarin je je gekend en gewaardeerd voelt om wie en wat je bent. Waarin onze huidige stress- en prestatiemaatschappij nog slechts een vervelende herinnering is. En natuurlijk een wereld waarin een leven met structureel minder energieverbruik en bijbehorende vervuiling een stillere, groenere en schonere leefomgeving oplevert.

Het is vooral deze wereld die betere leefomgeving vormt voor mensen die het toch al moeilijk hebben.

Afgelopen woensdag, 21 oktober 2009 zijn we in vergadering met meer belangstellenden voor Transition Town bij elkaar gekomen om onze standpunten en doelstellingen te verduidelijken.  Het is duidelijk dat we streven naar meer samenwerking.  (later meer)