In de zesde aflevering van een reeks gastopinies over de toekomst werd onder het thema ‘duurzame stad’ dit stuk geplaatst in Brabants Dagblad d.d. 9 juli 2011 met als subtitel: ‘positieve aandacht voor lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden is in 2040 vanzelfsprekende leidraad geworden’.

Tilburg in 2040. Wat stel ik me daarbij voor? Ik zie dan een stad voor me met minder lawaai en veel meer groen. Rustiger, vriendelijker ook. Ik ruik de verse geuren vanuit de stadsboerderijen en buurtmoestuinen, waar Tilburgers samen voedsel verbouwen en elkaar ontmoeten. Ik zie mensen in winkels van plaatselijke middenstanders afrekenen met Kruikjes, de lokale munt die producenten en consumenten uit de regio samenbindt.

In 2040 zorgt de Tilburgse School voor Gezondheid in de Spoorzone ervoor dat minder Tilburgers ziek worden. Het St. Elisabeth Ziekenhuis en het Tweesteden Ziekenhuis zetten ook in op preventie. Positieve aandacht voor lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden is de vanzelfsprekende leidraad geworden. Tilburgse ouderen doen daardoor weer volop mee. Het is maar een greep uit de vele veranderingen die in 2040 hun beslag hebben gekregen.
Hoe heeft dat zo kunnen ontstaan? De omslag zette begin deze eeuw in. De voedselcrises, olierampen en bosbranden zetten de mensen aan het denken. Transparantie en korte ketens werden het motto. De Keuringsdienst van Waarden keek in de keuken van megaboerderijen en voedselfabrieken. Kleine initiatieven lieten zien hoe eerlijk en heerlijk prima rendabel kunnen samengaan. Brabant had daarin een voorsprong, omdat zij van oudsher bekend stond om ‘het maken van iets uit niets’.
Omdat Tilburgers hadden geleerd van de vele mismatches ontstond er uiteindelijk een sterk fundament van samenwerking en ging in Tilburg in 2011 één van de vele burgerinitiatieven van start.


Goei Eete startte in het najaar en het lukte ze om consumenten rechtstreeks te verbinden met lokale duurzame voedselproducenten. Het unieke van dit project was dat het niet draaide om ‘hoe krijg ik mijn bio-product bij de mensen op het bord?’ (market push). Goei Eete ging daarentegen uit van de benadering ‘waar zijn de bewuste consumenten die voedsel uit eigen streek willen, en hoe kunnen we die efficiënt bedienen?’ (market pull).
Namen in 2011 nog zo’n 160 consumenten en 15 boeren deel aan deze lokale voedselketen, in het jaar daarop waren dat 500 consumenten, 30 bedrijven en instellingen, waaronder Interpolis en zorggroep De Wever die hun medewerkers gelegenheid gaven om mee te doen. De bezorgservice sloeg aan en de afhaalpunten werden een vertrouwd gezicht in de stad. Cliënten van zorggroep Amarant en buurtbewoners werkten eensgezind samen in de logistieke keten van Goei Eete. Vele andere initiatieven rondom voedsel volgden.

Toegegeven, bovenstaande is nog een beetje toekomstmuziek. Maar de ruwe versie van de partituur is nu al geschreven, en er wordt druk gerepeteerd. Goei Eete bestaat namelijk echt. Na de zomer gaat de webshop live en worden de eerste afhaalpunten geopend. De principes? Reguliere lokale producten uit een straal van 20 km. Biologische producten uit een straal van 40 km (omdat niet alle biologische producten om de hoek te verkrijgen zijn). Er is een aanbod van groente, vlees, zuivel en fruit en doordat de bedrijfsvoering eenvoudig is kunnen de prijzen de concurrentie met de supermarkten prima aan. Daarnaast is er via het doordachte concept van Goei Eete rekening gehouden met een samenleving in transitie.

‘Transitie’ is het buzzword in duurzaamheidskringen, en steeds meer ook in de wereld van onderzoek en beleid. We ontkomen er niet aan: we gaan van een economie gebaseerd op het gebruik van goedkope olie naar een wereld… waar we ons maar met moeite een voorstelling van kunnen maken. Een ding wordt echter steeds duidelijker: ‘business as usual’ is definitief voorbij.
Gelukkig ontstaan er steeds meer kleinschalige initiatieven rond nieuwe energie, recycling, urban farming en het gebruik van natuurlijke grondstoffen. Naast ondernemers zijn meer burgers actief dan je denkt die de omslag maken naar een duurzamere samenleving. Vaak gebeurt dit intuïtief: groente in de achtertuin en buurtmoestuinen zijn in opkomst. Een recente en bemoedigende ontwikkeling is dat nieuwe initiatieven meer en meer plaatsvinden vanuit een gedeelde toekomstvisie en methode, zoals die van Transition Towns. Als burgers de weg weten kan deze ontwikkeling verder doorzetten.

Het zou mooi zijn voor de Tilburgse samenleving en de uitstraling van de stad, wanneer de gemeente Tilburg burgerinitiatieven (nog) meer gaat omarmen. Simpelweg omdat overheid, burgers en ondernemers elkaar nodig hebben om een toekomstbestendig Tilburg te bouwen waar we met elkaar trots op kunnen zijn. Gebruik de ontwikkeling van de Spoorzone als een bestuurlijk en maatschappelijk experiment om van onderop, door nieuwe vormen van participatie, een heldere breed gedragen visie voor de stad (en ommeland) te laten ontstaan. Dan ontstaat al doende een krachtig levend netwerk om die visie in actie en resultaten om te zetten.
Tilburg zal pas relatief laat een krimpgemeente worden, dus de duurzaamheidsuitdaging zal hier des te groter zijn. Reden te meer om de spontaniteit, creativiteit en saamhorigheid van oude en nieuwe Tilburgers en ondernemers alle steun en ruim baan te geven. Sociale Innovatie dus. Maar dan menens.

Irma Lamers (ABC communicatie) bedenkt duurzame concepten en is mede-initiator van Goei Eete

Het Consuminderhuis Ons Genoeg uit Landgraaf heeft tijdens de Parkstad nieuwjaarsborrel maar liefst twee cheques in ontvangst mogen nemen met een waarde van in totaal bijna € 9.500. Burgemeester Raymond Vlecken van Landgraaf deelde de cheque van de Ronde Tafel Gravenrode uit. De tweede cheque was afkomstig van Jack Vinken, directeur-bestuurder van Hestia groep.
Het bestuur van het Consuminderhuis is ontzettend blij met deze giften. Annemiek van Deursen zei bij het in ontvangst nemen van de cheque: “Dit is geweldig voor al die mensen die we via het Consuminderhuis proberen te helpen. Voorlopig hebben we geen zorgen meer”.

Het Consuminderhuis is een vrijwilligersorganisatie die mensen leert om met minder geld toch rond te komen. Hestia groep stelt het pand Wilhelminastraat 25 in Landgraaf gratis beschikbaar aan het Consuminderhuis en ondersteunt de organisatie ook op andere fronten. De eindejaarsgift die relaties van Hestia groep overmaakten naar het Goede Doelen Fonds is volledig ten goede gekomen van het Consuminderhuis. Vandaar de cheque van Hestia groep van maar liefst € 2375.
Ronde Tafel Gravenrode (serviceclub) koos het Consuminderhuis dit jaar als goed doel naar aanleiding van de oproep van Hestia groep. Tijdens de traditionele jaarlijkse Parkstad nieuwjaarsborrel in Mondo Verde droegen alle aanwezige ondernemers en verenigingen uit Parkstad hun steentje bij. Dankzij de geweldige aanwezigheid van de Oud Prinsen van Schaesberg besloot de organisatie het opgehaalde bedrag op te hogen tot het mooie carnavaleske bedrag van € 7.111,11. ‘Deze nieuwjaarsborrel was een groot succes en we vinden het met z’n allen geweldig om het Consuminderhuis op deze manier te kunnen helpen’, aldus de enthousiaste Francesco van Ooijen van de Ronde Tafel.

Annemiek van Deursen van het Consuminderhuis heeft al een goede bestemming voor de cheques in gedachten. ‘We gaan in ieder geval goede gereedschappen kopen. Nu komt het regelmatig voor dat mensen die gordijnen van ons krijgen ze niet zelf kunnen ophangen, omdat ze geen boormachine hebben. Wij gaan nu een goede klopboor kopen, zodat onze vrijwilligers mensen met dit soort klussen kunnen helpen. Ook hebben we een goede kruiwagen en gereedschap nodig voor ons moestuinproject. De rest van het geld zetten we op de bank. Zo kunnen we in ieder geval de energiekosten betalen. Ik ben echt ontzettend blij met dit steuntje in de rug en wil iedereen ontzettend bedanken’.
Meer informatie over en foto’s van de parkstadborrel zijn te vinden op www.parkstadborrel.nl.

Kerst 2010

Weliswaar ligt Kerst 2010 alweer achter ons, maar toch nog even aandacht voor een echte kerstgedachte.
Vrijwilligers van het Consuminderhuis mochten iets voor sluitingstijd op Kerstavond bij de C1000 van Herman Huirne in Landgraaf de niet verkochte kerstollen, vlaaien, krentenbollen en broden ophalen om deze nog dezelfde avond uit te kunnen delen aan mensen die het allemaal wat minder hebben. Hierdoor kreeg hun Kerst dit jaar wat extra glans. Hulde en veel dank aan de gulle gevers en vrijwilligers die nog laat op pad gingen!.

Hij geldt als een van de wegbereiders van maatschappelijk verantwoord ondernemen in Nederland en is altijd een hartstochtelijk pleitbezorger van een duurzame samenleving geweest. Niet alleen als bankier en voorzitter van de Sociaal Economische Raad, ook als kabinetsinformateur en bewindvoerder bij de Wereldbank. Niet zo verwonderlijk dus dat Herman Wijffels (1942) sinds kort ook een leerstoel heeft aanvaard als hoogleraar ‘Duurzaamheid en Maatschappelijke Verandering’ aan de Universiteit Utrecht. De Rabobank, Wijffels’ vroegere werkgever, heeft zelfs een jaarlijkse prijs (50.000 euro) voor ondernemers met duurzame innovaties naar hem vernoemd: de Herman Wijffels Innovatieprijs. ‘We leven in de huidige tijd zo ver boven onze mogelijkheden dat we keihard tegen grenzen aan gaan lopen,’ zegt hij tegen Horizontalisering.nl. Die zocht hem thuis op, in de bosrijke omgeving rond Maarn, kort voordat de klimaatconferentie in Kopenhagen plaatsvond.

Er is geen andere toekomst dan een duurzame toekomst, is een veelgehoorde stelling van Herman Wijffels, en die stelling heeft zeker sinds het losbarsten van de kredietcrisis alleen maar aan actualiteitswaarde gewonnen. ‘Het is tijd voor een andere leefstijl en voor een ingrijpend andere manier van zaken met elkaar doen,’ benadrukt hij. Door de huidige manier van consumeren, produceren en handel drijven zit onze wereld met zijn 6,5 miljard mensen volgens Wijffels ‘op alle fronten’ op een doodlopend spoor. ‘We lopen tegen de grenzen aan van wat de wereld kan hebben. We zitten op een ramkoers. Absoluut.’ Read the rest of this entry »

PICNIC ’09: Alternative Currency in Practice with Christian Nold & Oliver Dudok van Heel from PICNICCrossmediaweek on Vimeo.

Using case studies, two experts explore the feasibility of implementing alternative local currencies in this session at PICNIC ’09.

Artist and cultural activist Christian Nold presents the Bijlmer Bank Project and examines how trust networks function in a prototype system for an alternative local currency that could support local development and work in conjunction with the Euro.

Activist Oliver Dudok van Heel discusses The Lewes Pound Project and how the introduction of a local currency impacted the socio-economic situation in the town of Lewes.

PICNIC ’09 – Amsterdam
September 23-25, 2009

Worldwatch 2010Zonder een cultuurverschuiving waarin duurzaamheid boven consumeergedrag wordt verkozen, zal geen enkele toezegging van de overheid of  technologische vooruitgang genoeg zijn om de mensheid te redden van een onacceptabel groot milieu- en klimaatrisico, aldus het Worldwatch Institute in het jaarlijkse rapport, State of the World 2010.

Het rapport benoemt ‘consumentisme’ als een culturele oriëntatie die mensen leidt naar het vinden van tevredenheid, betekenis en acceptatie via consumptie.

Projectleider Erik Assadourian is kritisch: ‘’Het veranderen en  vernieuwen van beleid en technologie terwijl de cultuur rond consumentisme en groei blijft draaien, kan niet meer. Om het welzijn te behouden zal de maatschappij een cultuurverandering moeten ondergaan waarin duurzaamheid de norm wordt en overmatig consumptiegedrag taboe.’’

In 2006 consumeerde de wereldbevolking $30.5 triljoen aan goederen en diensten, 28 procent meer dan tien jaar terug. Deze stijging in consumptie gaat gepaard met een dramatische stijging in grondstofverbruik. De gemiddelde Amerikaan consumeert 88 kilo per dag. Als de hele wereld op deze voet zou leven zou de aarde slechts 1,4 miljard mensen kunnen onderhouden

‘’Cultuurpatronen zijn de oorzaak van de ecologische en sociale problemen van het moment; klimaatverandering, vetzucht, een afnemende biodiversiteit, minder landbouwgrond en de productie van schadelijk afval.’’ Aldus Assadourian.

Het rapport geeft strategieën aan voor heroriëntatie zoals het aanreiken van keuzeopties in het consumentengedrag en het benutten van de invloed van religieuze groepen om duurzaamheidswaarden te verankeren.

’Terwijl de wereld probeert te herstellen van de grootste economische crisis sinds de Grote Depressie, hebben we een levensgrote kans om ons af te wenden van consumentisme,’ zegt Worldwatch President Christopher Flavin. ’Uiteindelijk moet het menselijk overlevingsinstinct prevaleren boven consumptiedrang

fairgreenposter

Derde Conferentie van Tilburg

“Een Fair & Green Deal – Wie biedt?”

De derde editie van de Conferentie van Tilburg zal op donderdag 21 januari 2010 plaatsvinden.

Op de volgende pagina’s (onder nog enig voorbehoud) het programma en informatie over hoe u zich tot uiterlijk zaterdag 16 januari kunt aanmelden voor deelname.

De verschillende wereldwijde crises die we momenteel beleven, hangen nauw samen met de manier waarop onze economie is ingericht. De economische crisis biedt ons de kans om de broodnodige koerswijziging richting een andere economie in gang te zetten. Er zijn vele aantrekkelijke ideeën om die koerswijziging vorm te geven. Het komt er nu op aan die ideeën uit te voeren.
De Alliantie Fair & Green Deal, waarin vele maatschappelijke organisaties samenwerken, doet een weloverwogen voorzet.

Download hier het Manifest en de Voorstellen en lever uw bijdrage/commentaar op de website www.alliantiefairgreendeal.org


Het weten van de wereld (Lezing van Wim van de Donk, Commisaris van de Koningin op persoonlijke titel)

Geloven in duurzame ontwikkeling.

Peerke Donderslezing, Tilburg, Allerheiligen 2009

Dames en heren,

vermessung der weltEen paar jaar geleden verscheen van de Duitse auteur Daniel Kehlmann een bijzonder boek. Het droeg als titel ‘Die Vermessung der Welt. In de Nederlandse vertaling werd dat: ‘Het meten van de wereld’. Het boek behandelt de lotgevallen van twee beroemde Duitse wetenschappers die zich aan het begin van de negentiende eeuw hebben beijverd om onze wereld in kaart te brengen. De ene, de wiskundige Carl Friedrich Gauß, deed dat vooral in eigen land –Duitsland– en bracht onder meer de geodesie tot ontwikkeling.

De ander, Alexander von Humboldt, legde de grondslag voor de moderne geografie en maakte een van de belangrijkste ontdekkingsreizen ooit naar wat toen nog werd aangeduid als ‘de nieuwe wereld’.

Die nieuwe wereld was ook toen vooral een andere wereld, die letterlijk nog moest worden ontdekt. Ik zeg ‘ook toen’, want daarin lijkt na al die jaren per saldo niet echt veel veranderd; zij het dat we nu zouden spreken van een andere wereld, die nog moet worden ontwikkeld.

En dat moeten wij dan doen, dat is althans de dominante idee. Natuurlijk zie ik ook wel dat er een zekere verandering blijkt in het spreken over ontwikkelingshulp. Dat werd eigenlijk steeds meer ontwikkelingsamenwerking. Maar dat is uiteindelijk toch vooral een semantische verschuiving gebleken: de feitelijkheid van de ontwikkelingssamenwerking is er toch vooral een van een afhankelijke relatie van hulp en steun, die bovendien steeds meer op onze strenge voorwaarden gegeven wordt.

Een dergelijke manier van spreken hanteert een in mijn ogen onhoudbaar wij-zij perspectief op de ontwikkeling van de wereld dat wij snel moeten verruilen voor een meer productief, duurzaam en eigentijds perspectief op ontwikkeling, maar daarover straks meer.

Het boek van Kehlmann laat zien hoe nieuwsgierigheid naar de nieuwe wereld beide geleerden tot grote prestaties dreef. Met name Von Humboldt ondernam avontuurlijke boottochten die bepaald niet zonder gevaar waren. Hij deed belangrijke ontdekkingen in het Amazonegebied, dat hij nauwgezet in kaart bracht. Beide wetenschappers hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan wat we wel noemen de verwetenschappelijking of ‘modernisering’ van ons wereldbeeld. Het weten van de wereld was rechtstreeks afgeleid van het meten van de wereld. De vondsten van Von Humboldt worden tot op de dag van vandaag als waren het relikwieën bewaard in het naar hem genoemde museum voor natuurwetenschappen in Berlijn. Die modernisering heeft de wereld niet alleen steeds verder in kaart gebracht, maar ook onze kijk op en ook onze verhouding met de wereld ingrijpend veranderd. De socioloog Weber sprak in dit verband veelzeggend van de daarmee gepaard gaande ‘onttovering’ van de wereld. De wereld werd onderdeel van ‘ons rationele systeem’, dat we met behulp van de sterk groeiende wetenschappelijke kennis en economisch handelen tot ontwikkeling hebben gebracht.

Tweehonderd jaar later weten we dat die ontwikkeling misschien helemaal niet zo rationeel, en in ieder geval allesbehalve evenwichtig was, en dat in vele opzichten. Ik noem drie onevenwichtigheden.

Allereerst was er sprake van een schaamteloze en eeuwenlange exploitatie van kolonies en wingewesten, gepaard gaande met een onthutsende praktijk van slavenhandel en uitbuiting die nog tot op de dag van vandaag in vele delen van onze wereld zijn sporen nalaat. Sporen, die nog maar zeer ten dele zijn uitgewist door de miljarden die de afgelopen decennia als ontwikkelingssamenwerking zijn uitgegeven. Miljarden die overigens vanuit het totaalbeeld van de bedragen die er omgaan in de internationale economische betrekkingen als betrekkelijke peanuts moeten worden gezien.

Dani Rodrik

Dani Rodrik

Onevenwichtig was die ontwikkeling ook omdat die modernisering onze aarde tot aan de rand van de afgrond heeft gebracht en bijna fataal lijkt uit te putten. Zowel in ecologische als sociale zin wordt die aarde, die we intussen gelukkig steeds meer als één wereld zijn gaan zien, in zijn voortbestaan rechtstreeks bedreigd. Weer leven we dus in een tijd waarin we onze kijk op en onze verhouding met de wereld ingrijpend zullen moeten veranderen, willen we als mensensoort kunnen overleven. Niets minder staat er op het spel. Ik mocht het laatst zeggen bij mijn installatie in Brabant: we moeten ons realiseren dat we besturen op een breukvlak. De huidige crisis is in mijn ogen niet in de eerste plaats een financiële en economische crisis, maar veeleer een morele en culturele crisis die ons uitdaagt tot een fundamentele reflectie en tot ingrijpende vormen van gedragsverandering. Als we niet opschieten is straks zelfs het antwoord op de klassieke vraag ‘waartoe zijn wij op aarde?’ niet meer relevant.

Onevenwichtig was die ontwikkeling ten derde ook, omdat de mens, zij het vooral die van het Westerse soort, zijn vermogen om zich als deel van een (groter) geheel te denken, ik definieer dat maar even als zijn religieuze bewustzijn, in belangrijke mate heeft veronachtzaamd. De rationaliteit heeft de spiritualiteit verdrongen. Het moderne wereldbeeld dat is voortgekomen uit het ‘meten van de wereld’ lijdt aan een intrinsiek beperkt soort van ‘weten van de wereld’. In het perspectief van modernisering en rationalisering is een fatale versmalling van het mensbeeld geslopen. Die versmalling –de individuele mens is zelf het middelpunt, de maat der dingen en een homo economicus– is de belangrijkste reden voor het feit dat de ontwikkeling van de (internationale) samenleving zoals die de afgelopen decennia gestalte kreeg niet duurzaam en houdbaar is.

In de ordening van de wereld heeft de meetkunde plaats gemaakt voor de macro-economie, die overigens steeds meer volgens micro-economische beginselen werd bedreven. Zoals in 1791 in Parijs de meter officieel als lengtemaat werd vastgesteld, later gevolgd door de instelling van een Internationaal Bureau voor Maten en Gewichten, zo kennen we sinds 1989 de zogenaamde Washington Consensus. Die behelst een generiek en streng recept voor ontwikkeling, sterk neo-liberaal gekleurd, die door instituties als het IMF en de Wereldbank al even streng als consequent werden toegepast bij het geven van steun. We weten intussen dat bij de veronderstellingen van die consensus (privatiseer, liberaliseer, open uw markten) de nodige vraagtekens te zetten zijn. Alleen al een nauwgezette studie van de ontwikkeling in Aziatische landen of die van onze eigen Europese samenlevingen leert dat het tot ontwikkeling brengen van landen en samenlevingen soms heel wat anders vraagt dan open markten.

Er lijkt meer behoefte aan specifieke dan aan generieke recepten, hoezeer de meters van de wereld dat ook zouden willen. De culturele component en de rol van een sterke publieke sector werden door de Chicago-economen systematisch onderschat, iets dat gelukkig –eindelijk– is doorgedrongen tot het comité dat de Nobelprijzen voor economie toekent. Welkom terug in de sociale wetenschappen! Dani Rodrik spreekt intussen treffend van de Washington Confusion…. Het wordt tijd de bakens te verzetten.

Voordat ik wat nader inga op het belang van een meer eigentijds en duurzaam perspectief op ontwikkeling, sta ik –dat mag natuurlijk wel in een lezing die de naam van Peerke Donders draagt– eerst nog wat stil bij de vermeende problematische verhouding tussen modernisering en religie. Een dergelijk duurzaam perspectief op ontwikkeling vraagt naar mijn inzicht immers om een herwaardering van het religieuze en spirituele in onze Westerse samenleving. Als een perspectief op mondiale ontwikkeling niet is geënt in een wezenlijk religieuze grondslag zoals ik die zojuist definieerde, is het naar mijn mening gedoemd te mislukken.

Zowel Gauß als Von Humboldt, die gretige grondleggers van de modernisering, dames en heren, waren tijdgenoten van de man die tweehonderd jaar geleden hier in Tilburg werd geboren en wiens geboortedag we deze week herdenken: de zalige Petrus Donders, onze Peerke Donders. Ook hij vertrok naar de nieuwe wereld, maar zou, anders dan Von Humboldt, nooit meer naar Europa terugkeren. Alhoewel ook Peerke Donders leergierig was, was het niet de nieuwsgierigheid, laat staan een wetenschappelijke roeping die hem naar Suriname deed vertrekken. Bij hem waren het de naastenliefde, de barmhartigheid en de zekerheid door God geroepen te zijn die hem daar brachten (en hielden!). Op 1 augustus 1842 vertrok hij vanuit Den Helder aan boord van het zeilschip Jacoba Maurina. Op 16 september zette hij voet aan land in Paramaribo, de hoofdstad van Suriname. Drie weken later al voer hij samen met monseigneur de Grooff via zee en de Coppename-rivier naar het melaatsen-établissement in Batavia. Hij zou er na een eerste periode in Paramaribo drie decennia lang en onvermoeibaar voor de uitzichtloze melaatsen zijn en zorgen en er uiteindelijk op 14 januari 1887 zelf op hoge leeftijd sterven.

Zijn vertrek naar Suriname en zijn indrukwekkende zorg voor de melaatsen in Batavia vloeiden rechtstreeks voort uit een roeping die meer dan je zou verwachten in belangrijke mate een persoonlijke keuze en overtuiging was.

Zoals blijkt uit de bij gelegenheid van zijn zaligverklaring verschenen biografie van Dankelman, groeide Petrus Donders op in een Nederland dat zelf de eerste schreden zette op een pad van modernisering. Het was ook een Nederland dat in belangrijke mate zelf nog tot ontwikkeling moest worden gebracht. Dat gold evenzeer voor de ontwikkeling van de religieuze verhoudingen en praktijken. Het was het Nederland van ver vóór de latere verzuiling, waarin Petrus Donders, geboren als zoon van een arme thuiswever, bepaald niet opgroeide in wat Dankelman mooi omschrijft als een ‘uitbundige gloed van vroomheid’. De rooms-katholieke kerk van zijn jeugd was nog maar net het stadium van de schuil- en zolderkerken ontstegen en stond aan de vooravond van de ontwikkeling van wat we later kennen als het al even massale als massieve religieuze leven van de verzuiling. De opkomst van massakerken leek in veel opzichten op de praktijk van de industrialisering, die al evenzeer leidde tot grote en hiërarchische organisaties. Toen Peerke Donders op 5 juni 1841 tot priester werd gewijd in de huiskapel van het bisschoppelijk paleis van mgr. Van Wijkerslooth, was die laatste nog geen tien jaar de eerste bisschop die na 200 jaar in Nederland mocht worden benoemd. Peerke Donders was dus bepaald geen zoon van het Rijke en georganiseerde Roomse leven, maar een arme kruikenzeiker die een heel persoonlijke keuze maakte.

Wie van zijn leven kennis neemt ontdekt al snel hoe wezenlijk het persoonlijke in zijn religieuze engagement was. Peerke Donders was een eigenwijze donder, zou je kunnen zeggen, die systematisch en tegen de keer in volhardde in zijn persoonlijk ideaal. Dat was allemaal verre van vanzelfsprekend. Zijn levensloop zelf is eigenlijk al een groot wonder.

Toen ik vorige week na afloop van de feestelijke Eucharistieviering in de prachtige Sint Dionysiuskerk in de Goirkestraat een kop koffie dronk met Paul Spapens, zei die me dat het eigenlijk al net zo’n wonder is dat Peerke Donders de ontzuiling en de ontkerkelijking van de afgelopen decennia heeft overleefd. Ik kan me die verwondering wel enigszins voorstellen.

Maar vooral denk ik dat de vele aandacht die er in Tilburg voor hem is vooral weer iets zegt over onze tijd. Spapens zelf liet in boekje uit 1983 over Peerke Donders zien hoe de aandacht aan het begin van de twintigste eeuw voor een deel kan worden verklaard uit de toen nog stormachtige opkomst van de Rooms-Katholieke kerk. Die had iconen nodig, en Peerke Donders was daarvoor zonder twijfel een heel geschikte persoon. Hij was in zekere zin de verpersoonlijking niet alleen van een christelijk ideaal, maar ook van de emancipatie van de katholieken in Nederland.

In vergelijkbare zin zegt ook de brede en ook buitenkerkelijke herwaardering van zijn persoon in onze dagen iets over de maatschappelijke ontwikkelingen aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Ik zie die aandacht als een al even broodnodige als kritische contrapunt bij de tijdgeest. Ook nu hebben we weer van die iconen nodig. En Peerke Donders kan dat ook in onze tijd weer zijn. In een mooie beschouwing mede naar aanleiding van de dezer dagen in museum De Pont getoonde werken van Bill Viola spreekt Arent Weevers van de ‘kritische component van het heilige’.
En alhoewel Peerke officieel nog slechts zalig is, is hij een wezenlijke icoon en zet hij ons aan het denken, of aan het oefenen, zou Peter Sloterdijk zeggen. We hebben iemand als Peerke Donders hard nodig.

We leven immers in een tijd waarin de neiging groeit om ons af te sluiten van de wereld om ons heen en weer meer dan ooit de nadruk te leggen op ons individuele en nationale belang. We zien dat bijvoorbeeld in het debat over ontwikkelingssamenwerking. In een tijd dat we het hier zelf moeilijk krijgen horen we alweer snel de geluiden dat we daarmee maar beter moeten stoppen. Het haalt immers toch niets uit en we kunnen de miljarden die we daaraan besteden beter in Nederland besteden. U kent die geluiden wel. Ik zal er zo nog wat meer over zeggen.

Maar duidelijk is al wel dat ze sterk contrasteren met de tekst van een van de liederen over Peerke Donders die vorige week in ‘t Goirke door een volle kerk werd meegezongen. Ik citeer: ‘alles wat we kunnen doen we voor onszelf het eerst/Heel ons leven wordt door egoïsme overheerst/Blijf ons inspireren want dan weten wij het weer/in ieder mens schuilt iets van God en in jou een flink stuk meer.’

Barm- en warmhartige zorg voor anderen, het belang van naastenliefde en het belang van onbaatzuchtigheid en opoffering: het zijn woorden die we wel kennen, maar die we blijkbaar aan de vergetelheid moeten ontrukken. Het lied is duidelijk over wat ons te doen staat, en ook het leven van Peerke Donders laat daarover weinig misverstanden bestaan. Zijn beeld is een voorbeeld. We weten eigenlijk wel beter, maar zijn het spreken daarover verleerd. God is uit onze samenleving en uit de mensen weggedacht, en iemand die voor het verliezen van humane waarden systematisch waarschuwde was Peerke Donders. De groeiende aandacht die er voor zijn persoon is zie ik als een teken dat het als religieus te duiden besef dat we als mensen deel zijn van een wereld die groter is dan wijzelf weer meer in het maatschappelijke debat en de tijdgeest terugkeert. Peerke Donders laat ons zien wat de bedoeling van mensen is, en roept op tot engagement.

Ook de vorm waarin ik die groeiende aandacht zie draagt de sporen van onze tijd. Die staat meer in de sleutel van nemen persoonlijke verantwoordelijkheid dan in termen van vanzelfsprekende gehoorzaamheid en het opereren in de context van grote organisaties. Personen en persoonlijke contacten zijn er weer veel belangrijker aan het worden dan organisaties, instituties en systemen. In die zin is de hernieuwde aandacht voor iconen en heiligen, die hier net als in het buitenland door vele gewone mensen worden geëerd, gekozen en gedragen, helemaal niet zo verwonderlijk.

Nee, verrassend is dat alles niet: de manier waarop het religieuze zich in de samenleving manifesteert is in alle opzichten een spiegel van onze samenleving. Ons publieke domein is sterk veranderd, vooral omdat de mensen en hun onderlinge verhoudingen in onze samenleving zo veranderd zijn. Niet alleen door schaalvergroting en processen van internationalisering en commercialisering, maar ook als gevolg van een steeds verdere differentiatie, pluralisering en dus individualisering van leefsferen en leefstijlen.

Iemands identiteit, ook de religieuze, wordt steeds minder vaak vanuit één coherente traditie gevormd, laat staan door één organisatie gecontroleerd. Onze samenleving is al even multireligieus als multicultureel geworden: en dan hoeven we nog niet eens naar de opkomst van de Islam te wijzen. Het nog overzichtelijk gesegmenteerde en stabiele pluralisme van de verzuiling heeft plaatsgemaakt voor een samenleving die steeds meer op een mozaïek lijkt. De dynamiek is soms duizelingwekkend: hedendaagse sociologen als Sloterdijk en Bauman spreken van schuim en van een vloeibare samenleving. Ook binnen de christelijke traditie domineren steeds meer de verschillen en gaan kerkgenootschappen met elkaar in competitie. Ook het religieuze landschap verandert in een markt.

Het voert te ver hier de volledige diagnoses te geven, als ik daartoe al in staat zou zijn. Maar in het bestek van mijn betoog wil ik er één auteur even uitlichten: de Canadese filosoof Charles Taylor. Taylor analyseert al die ontwikkelingen en verschillen met een interessante discussie over het begrip dat nauw verwant is met het begrip van modernisering. Ik duid op het begrip secularisering. Taylor onderscheidt drie betekenissen.

Dat begrip verwijst volgens hem in de eerste plaats naar het fenomeen van de privatisering van religie: religie werd, al dan niet door wetgeving aangemoedigd, uit het publieke domein verbannen. In het spoor van de scheiding van kerk en staat wordt een strikte scheiding tussen religie en publiek domein bepleit. De betekenis verwijst zowel naar een normatief standpunt als naar een empirisch waarneembaar verschijnsel.

In de tweede plaats verwijst het begrip naar het fenomeen van ontkerkelijking, en naar de zogenaamde seculariseringthese die in kringen van sociologen lange tijd als onomstreden gold. Modernisering leidt tot een verminderde rol van religie, wellicht zelfs tot het geheel verdwijnen daarvan. Ook hier lopen wensdenken en empirische waarnemingen soms door elkaar, en recentelijk wordt indringend gewezen op het feit dat die these toch minder overtuigend is dan hij eerder leek. Zelfs een socioloog als Jürgen Habermas, zo konden we vrijdag nog lezen in NRC-Handelsblad, onderkent de voor de modale modernistische socioloog toch verrassende persistentie van religieuze praktijken en posities in het publieke domein.

In zijn recente boek voegt Taylor aan deze twee opvattingen van secularisering nog een derde toe. Hij suggereert dat het begrip tegenwoordig vooral verwijst naar het feit dat geloven steeds meer een persoonlijke optie, en geen automatisme meer is. In latere lezingen beklemtoont hij ook dat het moet worden begrepen als de aanduiding van een toenemend pluralisme, op de conditie van toenemende verschillen, waarbinnen die optie wel of niet en op geheel verschillende manieren kan worden ingevuld. Eerder duidde ik dat ooit aan als de transformatie van religie: het fenomeen verandert van gedaante, wordt minder institutioneel en traditioneel, en meer individueel en dynamisch van karakter. Identiteiten, ook religieuze, zijn in die opvatting steeds minder eenduidig en stabiel, er is sprake van ‘liquid religion’.

In dat licht bezien moeten we wellicht toch nog eens terug naar de eerdere constatering, dat secularisering zijn diepe sporen in de Nederlandse samenleving heeft nagelaten. Wat dat betekent hangt dus ook af van het perspectief van secularisering dat je hanteert. Het is net zoals bij het meten van politieke betrokkenheid van burgers. Als je dat meet in termen van aantallen mensen die actief lid zijn van een politieke partij, dan staat het er met die betrokkenheid niet best voor. Als je andere indicatoren neemt, komen andere vormen van betrokkenheid in beeld.

Voor religie geldt iets vergelijkbaars. Als je dat meet op een manier die ook andere, niet institutionele vormen van religieuze identiteit en betrokkenheid in beeld brengt, ontstaat er een aanmerkelijk ander beeld dan op grond van het meten van kerkbezoek. Er is, inderdaad, sprake van een andere houding ten aanzien van klassieke religies: Grace Davies spreekt van ‘vicarious religion’ en van ‘believing without belonging’. Dat eerste verwijst naar een houding die zegt: goed dat het er is maar ik doe er niet zelf aan mee. Het tweede wijst op het fenomeen dat veel geloof en spiritualiteit zich buiten de gangbare en traditionele kerkelijke en organisatorische kaders ontwikkelt. Anderen beklemtonen de individualisering en ont-traditionalisering van religie: van ietsisme tot orthodoxie, men zoekt de zin steeds meer op eigen houtje, vaak geholpen door nieuwe media. In die zin sprak de WRR van een opmerkelijke terugkeer van religie, maar wel in de context van die transformatie. Genoeg daarover voor dit moment in mijn verhaal, alhoewel het verleidelijk zou zijn om nog wat in te gaan over het in mijn ogen toch wezenlijke onderscheid tussen het zoeken, geven en ontvangen van zin. Maar daarover een andere keer.

Ik keer zoals beloofd nog terug naar het thema van de ontwikkelingssamenwerking. Ook in het domein van de ontwikkelingssamenwerking herkennen we de grondpatronen van genoemde transformaties. Steeds minder lijken mensen geneigd een benadering te steunen, waarbij de zorg voor ontwikkelingssamenwerking als het ware wordt uitbesteed aan grote organisaties. En uit het begin volgend jaar te verschijnen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zal blijken dat er terecht veel kritische vragen te stellen zijn bij de huidige theorie en praktijk van het beleid. Ontwikkelingssamenwerking is geen meetkunde, en de complexe paden die landen op weg naar economische ontwikkeling volgen vragen meer om maatwerk dan om generieke theorieën en standaards voor ontwikkeling. Zeker standaards die op eenzijdig economistische veronderstellingen en verschraalde mensbeelden zijn gebaseerd zullen moeten sneuvelen.

Maar laat ik niet met een negatieve toonzetting eindigen. De contouren van een meer werkzaam en duurzaam perspectief op ontwikkeling vragen vooral om de erkenning van de omstandigheid dat ontwikkeling intussen over ons allemaal gaat, en dat die, zeker als het om het Westen gaat, niet moet worden versmald tot louter economische ontwikkeling. Het gaat niet meer om een andere wereld, maar over onze wereld.

De huidige economische crisis is slechts een kleine ouverture van wat zich nog gaat aandienen in de sfeer van voedsel, energie, water en klimaat. De verhoudingen in de wereld zullen zich nog verder verscherpen maar hopelijk groeit nóg sneller het inzicht dat in al die grote dossiers intussen gaat over de ontwikkeling, nee het overleven, van die wereld als geheel. Het gaat intussen niet alleen meer om ontwikkelinghulp of om ontwikkelingssamenwerking, maar om een strategie voor mondiale ontwikkeling. Voor een Wij-Zij perspectief op ontwikkeling is, als het al ooit aan de orde was, op geen enkele wijze plaats meer. Daarvoor moet dus wat anders in de plaats komen. Dat lukt alleen maar als de onevenwichtigheden waarover ik eerder sprak effectief worden aangepakt. Rechtvaardigheid, liefde, barmhartigheid, een scherp oog voor het algemeen welzijn: het zijn begrippen die geworteld zijn in een lange traditie en die heel concreet zijn voorgeleefd door mensen als Petrus Donders. Zoals de bisschop van ’s-Hertogenbosch vorige week in de genoemde dienst zei: hij opent ons de ogen, als een gewone Tilburger, hij was een kruikenzeiker en een heilige tegelijkertijd.

Er rust dus een belangrijke taak op ons allemaal: mondiale ontwikkeling zal vragen om vormen van gedragsverandering die ons allemaal indringend zullen raken. De recente encycliek ‘Caritas in Veritate’ laat overtuigend zien dat daarvoor een nieuw instrumenteel en institutioneel perspectief nodig is: er wordt expliciet gepleit voor stevige instituties op mondiaal niveau, en ook de natiestaat, door vele globalisten al afgeschreven, wordt in deze encycliek voor Vaticaanse begrippen op een ongebruikelijk stevige manier gesteund. Maar wat de encycliek vooral laat zien is de uitnodiging aan ons allen om de waarheid over de mensen en het weten over onze wereld eerlijk onder ogen te zien en ernaar te handelen. Want uiteindelijk zijn het niet instituties, maar vormen van individueel engagement die het verschil duurzaam doen beklijven. Natuurlijk kunnen ook in onze tijd mensen daarbij steun vinden in organisaties en instituties, mensen blijven mensen en hebben steun en verbinding met anderen nodig. Zonder gemeenschapswerking gaat het niet. Maar Peerke Donders heeft ons laten zien dat het uiteindelijk toch vooral neerkomt op persoonlijk engagement en persoonlijke verantwoordelijkheid. Ik zei het al: hij was zijn tijd ver vooruit.

Ik dank U voor uw aandacht.

W. van de Donk

(bron: Wereldpodium, Peerke Donderslezing)

Godelieve Engbersen

Godelieve Engbersen

Irma Lamers

Irma Lamers

Arty Shocking praat met Irma Lamers en Godelieve Engbersen van Transition Towns Tilburg bij het opzetten van de lokale werkgroep in Tilburg en het aandragen van activiteiten die kunnen leiden tot verwezelijking van de doelstellingen die Transition Towns heeft.

Het is vooral de volgende zinssnede die de volledige steun verdient:

In de eerste fase, waarin we nu (september 2009) zitten, werkt ieder TT-initiatief met behulp van de 12 Stappen toe naar het opstellen van een lokaal Minder Energie Plan. Dat is geen droog ambtelijk beleidsstuk, maar een aanlokkelijke beschrijving van een samenleving zoals iedereen daar wel eens van droomt. Een wereld waarin mensen uit straten, buurten en wijken elkaar weer kennen. Waarin je weer weet waar je eten vandaan komt (uit je eigen buurtmoestuin, de buurtwinkel en de boer 3 kilometer verderop).

Een samenleving waarin aan het woord gemeenschapszin geen benauwende spruitjeslucht hangt, maar waarin je je gekend en gewaardeerd voelt om wie en wat je bent. Waarin onze huidige stress- en prestatiemaatschappij nog slechts een vervelende herinnering is. En natuurlijk een wereld waarin een leven met structureel minder energieverbruik en bijbehorende vervuiling een stillere, groenere en schonere leefomgeving oplevert.

Het is vooral deze wereld die betere leefomgeving vormt voor mensen die het toch al moeilijk hebben.

Afgelopen woensdag, 21 oktober 2009 zijn we in vergadering met meer belangstellenden voor Transition Town bij elkaar gekomen om onze standpunten en doelstellingen te verduidelijken.  Het is duidelijk dat we streven naar meer samenwerking.  (later meer)